Naast de klassieke eetstoornissen zoals anorexia nervosa, boulimia nervosa en de eetbuistoornis bestaan er ook nog aanverwante eetproblemen waarbij het eetgedrag ernstig verstoord kan zijn en die negatieve lichamelijke en sociale gevolgen hebben. De volgende voorbeelden behoren allen tot de diagnose ARFID (Avoidant and Restrictive Food Intake Disorder).

Selectief eten komt regelmatig voor bij kinderen en leidt meestal niet tot problemen. Soms neemt het echter zo’n proporties aan dat het kind er een zeer eenzijdige voedselkeuze op na houdt. Het kind eet slechts een klein aantal voedingsmiddelen of weigert zelfs hele voedselgroepen (cf. fruit, groenten, …). Het is ook niet bereid om nieuwe soorten voedsel te proeven en wanneer ouders hem/haar toch verplichten kan dit gepaard gaan met uitspugen, kokhalzen, ziek worden, huilen en driftbuien. De maaltijden worden zo een echt strijdtafereel.

Omdat het kind zo selectief is in zijn voedselkeuze is er geen sprake meer van een evenwichtig eetpatroon en kunnen er bepaalde tekorten ontstaan. Een bloedanalyse kan dit uitwijzen. Afhankelijk van het voedsel dat het kind wél nog wilt eten kan er sprake zijn van zowel een normaal gewicht als van over- of ondergewicht. Selectief eten kan ook bij volwassenen voorkomen.

In geval van orthorexia is er een vaak overdreven bezorgdheid om de eigen gezondheid. De persoon besteedt dan veel tijd en aandacht aan het uitzoeken en bereiden van ‘verantwoord’ of ‘gezond’ voedsel. Dit gedrag kan er erg anorectisch uitzien aangezien tal van voedingsmiddelen uit het eetpatroon verbannen worden en het vaak ook leidt tot ondergewicht.

Het verschil met anorexia nervosa is dat het hier vooral om de kwaliteit van voedsel gaat en minder om de hoeveelheid. Het afwijkende eetgedrag wordt ook niet gestimuleerd door een vertekend lichaamsbeeld, angst om aan te komen of een wens om af te vallen.

Niet zelden uit deze gezondheidsbezorgdheid zich ook op andere terreinen dan voeding alleen. Soms kan er na verloop van tijd wel een klassieke eetstoornis ontstaan.

Bij een braakfobie (ook wel ‘emetofobie’ genoemd) is men bang om misselijk te worden en te moeten braken. De persoon kan zowel bang zijn voor de misselijkheid of het braken op zich als voor het feit dat dit in een sociale context zou gebeuren. De persoon is dan bang voor schaamte en afwijzing.

Om de kans op misselijkheid en braken te verkleinen gaat de persoon vaak zijn eetpatroon aanpassen: porties worden kleiner want een (over)vol gevoel wordt vermeden en ook vette of zware producten worden gemeden. Eten in sociaal gezelschap of vlak voor men naar een sociale gelegenheid moet kan moeilijk zijn.

Door dit afwijkende eetgedrag kan de persoon ondergewicht en voedingstekorten oplopen. Toch is er geen sprake van een eetstoornis in klassieke zin aangezien er geen angst is voor aankomen en er ook geen vertekend lichaamsbeeld aanwezig is. Vaak is de persoon ook bang om anderen te zien braken.

In geval van een slikfobie (ook wel ‘stikfobie’ genoemd) is de persoon bang om zich te verslikken en bijgevolg te stikken in voedsel. Hij reageert hier op door bepaalde types van voedsel te vermijden (denk aan de consistentie of textuur van het voedsel) en eet vaak ook erg langzaam door het veelvuldige kauwen.

Een gastroscopie (onderzoek van de slokdarm) kan uitwijzen of er een lichamelijk oorzaak aanwezig is, zoals bijvoorbeeld een stoornis van de slikspieren en –reflexen (dysfagie). Is dit niet het geval dan is de oorzaak eerder psychisch. Zo kan een slikfobie ontstaan na een eerdere traumatische ervaring waarbij de persoon (vaak een kind) zich ernstig verslikt heeft of bijna gestikt is in bepaald voedsel.

Interessant? Delen maar!